Bovenbouw, click for home. Bovenbouw.nl, click for home.

Vaardigheden Wiskunde A

Algemene vaardigheden

De kandidaat heeft kennis van de rol van wiskunde in de maatschappij, kan hierover gericht informatie verzamelen en de resultaten communiceren met anderen.

De kandidaat kan
  1. doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken;
  2. adequaat schriftelijk rapporteren over onderwerpen uit de wiskunde.
  3. bij het verwerven van vakkennis en vakvaardigheden reflecteren op eigen belangstelling, motivatie en leerproces;
  4. toepassingen en effecten van wiskunde in het dagelijks leven en in verschillende vervolgopleidingen en beroepssituaties herkennen en benoemen.

Profielspecifieke vaardigheden

De kandidaat kan profielspecifieke probleemsituaties in wiskundige termen analyseren, oplossen en het resultaat naar de betrokken context terugvertalen.

De kandidaat kan
  1. een probleemsituatie in de context interpreteren, structureren en vertalen naar een model waarin wiskundig gereedschap kan worden ingezet;
  2. wiskundige methoden toepassen op probleemsituaties, de resultaten van een wiskundige handeling terugvertalen naar de context en daaruit conclusies trekken.

Wiskundige vaardigheden

De kandidaat beheerst de bij het examenprogramma passende wiskundige vaardigheden, waaronder modelleren en algebraïseren, ordenen en structureren, analytisch denken en probleemoplossen, formules manipuleren, abstraheren, en logisch redeneren – en kan daarbij ICT (in het CE de Grafische Rekenmachine) functioneel gebruiken.

De kandidaat
  1. beheerst de rekenregels;
  2. beheerst de specifieke algebraïsche vaardigheden;
  3. heeft inzicht in wiskundige notaties en formules en kan daarmee kwalitatief redeneren;
  4. kan wiskundige informatie ordenen en in probleemsituaties de wiskundige structuur onderkennen;
  5. kan bij een gegeven probleemsituatie een model opstellen in wiskundige termen;
  6. kan een oplossingsstrategie kiezen, deze correct toepassen en de gevonden oplossing controleren binnen de context;
  7. kan vakspecifieke taal interpreteren en gebruiken;
  8. kan de correctheid van wiskundige redeneringen verifiëren;
  9. kan eenvoudige wiskundige redeneringen correct onder woorden brengen;
  10. kan bij het raadplegen van wiskundige informatie, bij het verkennen van wiskundige situaties, bij het geven van wiskundige redeneringen en bij het uitvoeren van wiskundige berekeningen gebruik maken van geschikte ICT-middelen.
  11. kan antwoorden afronden op een voorgeschreven nauwkeurigheid dan wel op een nauwkeurigheid die past bij de probleemsituatie.

Vaardigheden Wiskunde B

Algemene vaardigheden

De kandidaat heeft kennis van de rol van wiskunde in de maatschappij, kan hierover gericht informatie verzamelen en de resultaten communiceren met anderen.

De kandidaat kan
  1. doelgericht informatie zoeken, beoordelen, selecteren en verwerken;
  2. adequaat schriftelijk rapporteren over onderwerpen uit de wiskunde.

Profielspecifieke vaardigheden

De kandidaat kan profielspecifieke probleemsituaties in wiskundige termen analyseren, oplossen en het resultaat naar de betrokken context terugvertalen.

De kandidaat kan
  1. een probleemsituatie in een wiskundige, natuurwetenschappelijke of maatschappelijke context analyseren, gebruik makend van relevante begrippen en theorie vertalen in een vakspecifiek onderzoek, dat onderzoek uitvoeren, en uit de onderzoeksresultaten conclusies trekken;
  2. een realistisch probleem in een context analyseren, inperken tot een hanteerbaar probleem, vertalen naar een wiskundig model, modeluitkomsten genereren en interpreteren en het model toetsen en beoordelen;
  3. met gegevens van wiskundige en natuurwetenschappelijke aard consistente redeneringen opzetten.

Wiskundige vaardigheden

De kandidaat beheerst de bij het examenprogramma passende wiskundige vaardigheden, waaronder modelleren en algebraïseren, ordenen en structureren, analytisch denken en probleemoplossen, formules manipuleren, abstraheren, en logisch redeneren en bewijzen – en kan daarbij ICT (c.q. de Grafische Rekenmachine) functioneel gebruiken.

De kandidaat
  1. beheerst de rekenregels;
  2. beheerst de specifieke algebraïsche vaardigheden;
  3. heeft inzicht in wiskundige notaties en formules en kan daarmee kwalitatief redeneren;
  4. kan wiskundige informatie ordenen en in probleemsituaties de wiskundige structuur onderkennen;
  5. kan bij een gegeven probleemsituatie een model opstellen in wiskundige termen;
  6. kan op basis van een gegeven probleemsituatie een schatting maken van de uitkomst zonder deze uitkomst exact te berekenen;
  7. kan een oplossingsstrategie kiezen, deze correct toepassen en de gevonden oplossing controleren binnen de context;
  8. kan vakspecifieke taal interpreteren en gebruiken;
  9. kan de correctheid van wiskundige redeneringen verifiëren;
  10. kan eenvoudige wiskundige redeneringen correct onder woorden brengen;
  11. kan bij het raadplegen van wiskundige informatie, bij het verkennen van wiskundige situaties, bij het geven van wiskundige redeneringen en bij het uitvoeren van wiskundige berekeningen gebruik maken van geschikte ICT-middelen.
  12. kan antwoorden afronden op een voorgeschreven nauwkeurigheid dan wel op een nauwkeurigheid die past bij de probleemsituatie.